Olympisch lesje tijd winnen

Tijd heelt alle wonden, zeggen ze weleens. Nou als je op acht honderdste olympisch goud verliest dan is tijd even je grootste vijand lijkt me zo.

Ik refereer hier aan de schaatscoryfeeën van dit weekend die strijden voor de Olympische titel. Natuurlijk gaan ze gouden plakken binnenslepen. Maar als je even goed kijkt, realiseer je je dat het hier draait om seconden of beter: duizendsten van seconden. Kun je echt trainen om op een tiende het verschil te maken? Ja dus. Kramer hield twee rondjes een tiende in zodat ie in de laatste ronde vier tiende kon inlopen . Een keer te veel knipperen met je ogen weerhoudt je van goud.

Ik probeer me even in hun situatie te verplaatsen als ik weer eens – zo’n vier keer per week- hardloop met mijn Strava-app als coach. En na een rondje van 10 km zie ik waar mijn ‘verbeterpunten’ zitten. De langzame kilometers waar ik het liefst mijn hond de schuld van geef, moeten echt harder. En mijn langzame rondjes onderscheiden zich van de snelle door een verschil van 20 seconden. Ook daar kan ik nog wat tijd winnen.

Maar deze sporthelden bikkelen dag in dag uit om misschien wel die ene duizendste seconde sneller te gaan op het moment suprême. Hulde en respect!

Mijn grootste leerpunt is dat je veel beter rustig kunt starten  om aan het einde extra tijd te pakken. Zo heb ik dat nooit eerder bekeken. ‘Een goed begin is het halve werk’, dacht ik altijd. Mooi niet! Ga ik morgen lekker een uurtje later werken. Dat haal ik ’s middags dubbel en dwars weer in.

De keerzijde van de medaille

Precies een week geleden, liep ik nu te bikkelen door het mulle zand op het strand van Egmond.  21 kilometer lopen telt namelijk alleen als je dat officieel doet met startnummer, chip en… medaille.

En we waren niet de enigen. Nog 20.000 andere loopvrienden kwamen op hetzelfde idee. Alles leek mee te zitten. Althans, we praatten alles goed voor onszelf. ‘Wat een mazzel dat we zoveel file hebben onderweg. Hoeven we tenminste niet zolang te wachten voor de start. En wat fijn dat we maar liefst twee kilometer van de start een parkeerplek vinden. Kunnen we alvast inlopen. En wat lekker dat het vloed is. Hebben we allemaal een excuus om ons pr niet te halen dit jaar’.

Twee uur lang ploeteren over het strand en op en af de eindeloze duinen door. Ik weet eigenlijk niet waarom ik het steeds weer doe. Elk jaar denk ik: dit is de laatste keer! Maar toch sta ik er dan weer. Volgend jaar waarschijnlijk ook.

Om half zes ’s avonds rijden we voldaan terug. ‘We did it’ en die andere 20.000 ook. Bij thuiskomst vragen mijn dochters wat ik allemaal gedaan heb vandaag? Nou gewoon 21 km gerend. ‘Maarre dat duurt toch niet de hele dag?’ Jawel, in Egmond wel. Trots laat ik mijn medaille zien.

Vandaag, precies een week later, wandel ik een rondje vesting. Ik haal het net. Ik ben namelijk na Egmond geveld door de griep. Maar dat vertel ik natuurlijk niemand. En Ik zet het zeker niet op Facebook. Ik kijk wel uit. Ook onbenullige medailles hebben dus een keerzijde.

Lieve Knorretje

Daar hang je dan aan het spit in een of andere nagebouwde après-ski-setting. Best knap voor een boerenvarken om zo op te klimmen tot een Gooisch patioterras tussen allemaal semi- en minder semi hoogopgeleide Gooische -en minder Gooische- kakkers en mutsen. Skimutsen wel te verstaan.

Zo stond je vorige week nog in de wei en rolde je een paar keer lekker door de modder. Heerlijk was het. Hemelse modder noemen ze dat in biggetjesjargon. Vroeger mijn favoriete toetje! Maar ja jij hebt tenminste door de modder mogen rollen, zei de slager. En de slager kan het weten!

Mijn dochter hoopt trouwens nog steeds dat je gewoon zelf bent doodgegaan. En ik wil dat zelf ook graag geloven. Dat eet namelijk lekkerder. Hoe minder vlees op dier lijkt, hoe beter het is. Niet waar? Net zoals je bij heerlijke, malse lamskoteletjes nooit aan die lieve, kleine, schattige lammetjes moet denken. Maar juist aan vieze, verlopen, domme schapen die vanwege hun leeftijd nog net doorgaan voor lam.

Lam is misschien een leuk bruggetje naar de status waarin de Gooise en minder Gooise gasten zich halverwege de meeste (kerst) diners begeven. Om toch een beetje aan de harde realiteit te ontsnappen. Aan serieuze hockeywedstrijden, Cito-toetsen, zaalselecties, tenniscompetities en ijshockeytoernooien met alle gevaren van dien!

Enfin, we staan dus in een adres ski setting omdat vrijwel iedereen hier her en der een wintersportweekje heeft geboekt. Skiën is nu eenmaal een vereiste om hier überhaupt te kunnen wonen.

Maar wij zijn helemaal niet zo Goois hoor! Dat Gooise imago: daar doen wij niet aan mee. Nee wij zijn anders dan alle andere Gooise kakkers en mutsen. Wij zijn hip en cool. We wonen toevallig in het Gooi maar dat had net zo goed een Brabants boerendorp kunnen zijn! Hadden we ook in de tuin gestaan, met een Knorretje aan het spit. Alleen dan hadden we ‘m waarschijnlijk eerst zelf de fles gegeven en opgevoed. Had ie echt een luizenleventje gehad. En aten we ‘m alsnog op.

Jongens, mijn maag knort! Fijne kerstdagen allemaal. Ik ga eens even bedenken of vegetariër worden een van mijn nieuwe voornemens is voor 2018!

Code Oranje

Altijd weer een spannend bericht in de donkere dagen: CODE ORANJE. Ik heb dan ook gisteravond alle Jozo-zoutpakken uit de supermarktschappen opgekocht en de straat van een wit laagje voorzien.

En natuurlijk liggen mijn sneeuwkettingen al om en hangt mijn ski-outfit klaar. Dit wordt mijn favoriete decemberdag. Skiën op de Vestingwallen. Dat kan namelijk alleen met code Oranje. Bovendien is het extra leuk omdat je niet uit hoeft te kijken voor de auto’s. Die rijden niet omdat het levensgevaarlijk is om je huis te verlaten. En als de KNMI het zegt dan is het zo.

Hebben we een keer kans op sneeuwpret: is het meteen weer levensgevaarlijk. Ben toch benieuwd wie die Code Oranje bedacht heeft. Zou het iets zijn om het oranjegevoel weer wat op te vijzelen, nu we niet meedoen aan het WK? Er moet iets achter zitten.

Nou ja, daar loop ik dan door de straat met mijn bivakmuts op, twee thermo’s aan, spikes onder en met skistokken. Gelukkig ziet niemand het. Want binnenblijven is het devies.

Kleur bekennen

Tijdens tekenles in de eerste van de middelbare school moesten we een kleurenpalet maken in een vierkant met 64 hokjes. Met de primaire kleuren, rood blauw, geel, wit en zwart kun je dus alle kleuren fabriceren. In de kleine vakjes van 1 bij 1 centimeter moest je de uiterst zorgvuldig gemengde kleuren aanbrengen. Binnen de lijntjes natuurlijk. Gek genoeg had ik behoorlijk veel moeite met die opdracht. Niet vanwege het mengen maar vanwege die irritante lijntjes.

Gelukkig kwam ik weg met een mager zesje voor deze tekenopdracht.

Ik kom hierop omdat er op de werkvloer een kleurensysteem schijnt te zijn waarin je alle collega’s kunt onderbrengen. Nu is mijn lievelingskleur blauw maar als ik iets niet ben volgens dit kleurensysteem dan is het wel blauw. Dat staat voor punctuele lineair denkende mensen die lijstjes op alfabet maken en ze in die volgorde afwerken.

Geel staat voor chaotische creatief. Rood is ambitieus en scherp. En groen staat voor geduldig en beschouwend. Ik zit dus ergens tussen rood en geel in, oranjerood dus. Vuur denk ik dan. Nou, dat kan kloppen want ik houd van ijskoud water. Zo blijf ik in balans. Is die cirkel ook weer rond. Maar tegelijkertijd kan ik prima plannen en denk ik in oplossingen. Welke kleur daarvoor staat? Geen idee. Ik zal wel weer tot de Kameleons horen. Soms groen of lichtblauw, dan weer rood, geel, oranje en paars.

Ach, laten we het vooral niet zo zwart wit zien. Dan verzanden we al snel in de grijze muizenmassa. En daar willen we van wegblijven toch. Net als van het gekleurde hokjes denken.

Voortaan gewoon mengen die kleuren zodat er wat nieuws ontstaat. Goed voor de teamspirit en voor de afwisseling. En die lijntjes kunnen we dan ook wat oprekken. Dat geeft weer wat ruimte voor nieuwe ideeën.

Reislijstje

Een weekendje weg met mijn dochter! Te lekker. Even ons meeneemlijstje checken en we kunnen vertrekken. En behalve relaxen, hoeven we dit weekend helemaal niets. Maar eenmaal op de hotelkamer in hartje centrum Barcelona vraagt Nikki ‘ wat gaan we doen’. Tja laten we dan toch maar een lijstje maken. Logisch. Je kunt niet naar Barcelona vliegen en drie dagen op je hotelkamer bivakkeren. We gaan fietsen huren. Gelukkig spreekt de verhuurder Nederlands. We beginnen ons al een beetje huis te voelen. Al fietsend en zwenkend door de Spaanse steegjes die ‘carrers’ heten, verkennen we de stad. En steeds komen we linksom of rechtsom weer bij het pleintje uit waar we de eerste dag lukraak belandden.

Daar is de jongen met de blauwe blouse, die zo mooi zingt. Elke dag komen we hem tegen. Terwijl hij niet op het lijstje staat. Het kan haast geen toeval zijn. We zwaaien en klappen. Hij straalt ervan.

We zwaaien steeds weer naar de aardige meneer van de zonnebrillenwinkel die vertelde dat zijn vader voor en zijn moeder juist tegen de onafhankelijkheid is. En waar het ‘m nou precies in zit. Het wordt steeds meer ‘onze stad’. En als we onze oude buren tegenkomen zomaar op een willekeurige hoek van de straat terwijl we onderweg zijn naar de Flamingo voorstelling, weten we het zeker: toeval bestaat niet, ook niet in Spanje. En wat is het toch fijn om in een relatief onbekende stad meteen wat herkenningspunten te hebben.

Nu alleen nog even hardlopen en in de zee zwemmen. Dan is ons weekend  helemaal compleet en het lijstje afgevinkt. We besluiten om nog één keer te lunchen op het dakterras. Daar kennen ze ons tenminste. En ja hoor! Ola chicas, hasta la proxima.

Tuinfeest

Ibiza 26 graden, strakblauwe lucht, een stuk of twintig zeilboten en 150 blije mensen. Alle ingrediënten voor een relaxed feest zeg maar. Maar feesten op Ibiza doe je vooral in clubs. En ik moet bekennen dat ik geen idee heb wat ik ervan kan verwachten. Maar ik ga sowieso en laat alle vooroordelen lekker even varen.

Ik kijk mijn ogen uit. In de club, waar je als vrouw trouwens zo naar binnen mag mits je vrolijk glimlacht en niet je meest oversized outfit aan hebt, zijn allemaal kleine tuintjes. Stuk voor stuk omheind door paaltjes met een touw ertussen. Het lijkt of je er zo overheen kunt stappen om even polsen of het ook echt een leuk tuintje is. Alleen zodra je ook maar één voet binnen het touw zet, duiken uit het niets vier bodyguards op die je er hup weer uitgooien.

Maar we geven niet op! Er moet ergens een onbewaakte doorgang zijn. En ja hoor, via de catacomben belanden we uiteindelijk op een exclusief tuinfeest. In niet zomaar een tuin, nee in een heuse paleistuin. Met drie terrassen en een automatisch sproeisysteem om ervoor te zorgen dat niemand uitdroogt. Als klimop krioelen de gasten door elkaar heen. Een zee partygangers deint op de beat. Alleen de zeilen ontbreken. En omdat de tuinfeesten hier nooit aflopen, wordt er pokon uitgedeeld om vooral de zonsopgang niet te missen. De pokon sla ik even over! Wat een beleving. Het was bizar en bijzonder.

Denk dat het tijd is om de bloemetjes deze winter gewoon buiten te laten staan. En net te doen of het altijd zomer is.

Zonnige blik

Na een regenachtige dag en heel veel klagende paraplu’s, denk ik met weemoed terug aan de vakantie in Bretagne. Daar schijnt namelijk altijd de zon. En weet je hoe dat komt? Omdat zon en zee garant staan voor ‘zomervakantie’. Aangezien Bretagne niet echt bekend staat om de hitte, doe je dus gewoon of het warm is. Elke dag een korte broek aan. En altijd naar de zee. Weer of geen weer. Zodra het vloed wordt, liggen alle Bretonse vakantiegangers op het strand. Dat is twee keer per dag, als het tij meezit!

Iedereen gaat, hoe dan ook, zwemmen want de zee is altijd warmer dan ie eruit ziet. En eenmaal in de zee, weet je het zeker: dit is vakantie. Iedereen straalt De hele dag door. Dus regen kennen ze hier niet. Paraplu’s zijn uit den boze!

Moeten we in Nederland misschien ook eens proberen. De regen negeren en overal de zon in zien.

Ik verheug me op de herfst!

IJsmeisje 3

Ineens weet ik waar mijn koudwaterliefde vandaan komt. Ik loop langs de Bretonse kust en word vanzelf warm van binnen. Ik MOET de zee in. Niets kan me tegenhouden. In mijn ijsblauwe bikini en met mijn dito gekleurde nagels ren ik de branding in. Geen vuurdoop maar een vertrouwde warme deken. Zo voelt het zoute water. In Bretagne heb je geen keus. Als je echt het ultieme vakantiegevoel wilt hebben dan accepteer je de kou zodat ie warm wordt. In feite zet je de nul graden grens gewoon omlaag.  Bij zestien graden is iedereen hier in opperbeste vakantiestemming. En actief! Want stilzitten bij zestien graden is niks.

Dus iedereen die zich ooit afvraagt waarom ik zoveel ren en zo van ijs houd, die heeft nu het antwoord. Ik ben van oorsprong een Bretons IJsmeisje.

Jongensmeisje

Ja ik was dus zo’n jongensmeisje. Zat op judo, klom in bomen en liet mijn haar door de moeder van een vriendinnetje zo kort knippen dat iedereen dacht dat ik een jongetje was. Kon ik lekker jongensdingen doen zonder uit te leggen waarom ik niet met poppen speelde.

Uiteindelijk werd ik weer een meisjesmeisje. Maar dan wel een beetje stoer. Dat was toen doodnormaal. Volgens mij is dat nog steeds zo.

Mijn oudste weigerde steevast jurkjes te dragen. Mijn middelste is sowieso een rauwdouwer. En mijn jongste werd geboren als roze prinses. En nu is het weer precies andersom.

Maar sinds vandaag is er een reclamecampagne waarin ouders gevraagd wordt of ze hun jongens wel de ruimte geven om jongen te zijn. Nou ik wil niet veel zeggen maar meisjes hebben pas echt veel ruimte nodig. Voor hun kleren, make-up en vooral voor al hun bijzondere gedachten en ideeën. En jongens hebben vooral ruimte nodig voor zichzelf en voor hun brommers. En om te ravotten. Leuk woord trouwens.

Mijn idee: geef alle kinderen de ruimte en de vrijheid om zich uit te leven. Want of je nu een jongensmeisje of een meisjesjongen bent, of geen van beide: ruimte creëer je zelf!