Gedichten

Zomaar op zee

Het water
weerkaatst het licht
op haar gezicht.
Ze schrijft een boek
én dicht!

Tijdloos
Ze kijkt
naar de wijzers
van de stationsklok.

Ze gaan
zo langzaam.
Tergend langzaam
schuiven ze voorbij.
Van seconde tot seconde.
Nooit sneller
nooit langzamer.

Wat saai zou het zijn
als alles altijd
even lang zou lijken.

Ze stopt met kijken.
En zie:
de tijd vliegt voorbij.

Eindeloos

De scheepshoorn
Kondigt het vertrek aan!

Tijd om te gaan.
Tijd om na te denken

Over de eindeloze zee,
de tijdloze wadden,
het tij dat komt en keert.

En ik, ik waad door de tijd
van vasteland naar eiland.

En waan me in een eindeloze tijd,
met eindeloos veel kansen.

En vraag me af waarom ik nooit tijd over heb.


Zon

De zon begon
vandaag wat later.
Zat schijnbaar in de wolken
weg te dromen.

Of was gewoon
straal vergeten
op te komen.


Ruimte

Geef me de ruimte om te lachen,
te denken, te doen en te laten,
te aarzelen en te dromen,
te besluiten om te blijven,
te gaan of terug te komen.
Geef me de ruimte om te zijn,
wie ik ben.

Dan krijg jij,
een beetje mij.

Jezelf zijn

Ik hou
Van de warmte en de kou
Van de zon en de sneeuw
Van het vuur en het water

De mooiste elementen
Als levensingrediënten

Zodat je kunt zijn wie je bent.

Niets

Ze telt haar stappen
één voor één.
Steeds opnieuw,
mist er geen.

Tot haar gedachten
afdwalen naar iets
anders moois.

Dan telt (ze) even niets.

 

Regenboog

Waterig zonnetje
Ik douche met je stralen
Zo op mijn balkonnetje

 

Naïef

Zo jong, naïef,
in oogopslag lief.

Van binnen rebels
van buiten innemend.

Onwetend, maar open
voor elke impuls
en elke kans.

De dans
ontsprongen.
Doordrongen van geluk,
dendert ze door.

 

Schaduw 

Mijn schaduw
volgt me op de voet.

Vlak achter me,
dan naast me,
haalt me in,
ik houd in.

Loop ‘m onder de voet.
En als het moet,
draai ik om.